Autistisch denken

 

 Hoe denkt iemand met autisme?

De verklaring van autistisch gedrag zit in de manier waarop iemand informatie verwerkt, de manier waarop hij de wereld waarneemt, begrijpt en ervaart. Gemakshalve noemen we dit het ‘autistisch denken’.

Het gaat hier niet altijd om een bewust proces van nadenken, maar om de spontane, vaak onbewuste processen van waarnemen en informatie verwerken die als doel hebben betekenis te geven aan de wereld.

Het gedrag zou je de buitenkant van autisme kunnen noemen. De buitenkant betreft de zichtbare aspecten van autisme: wat iemand doet of zegt, hoe hij reageert op situaties, dingen en mensen. Net zoals bij mensen zonder autisme komt ook het gedrag van mensen met autisme niet zomaar uit de lucht vallen. Menselijk gedrag wordt immers bepaald door wat we waarnemen en hoe we die informatie verwerken. Onze reacties worden nooit rechtstreeks bepaald door de situatie, maar door onze ‘beleving’ van die situatie (context). Om die reden rent de ene persoon weg bij het waarnemen van een hond (Help! Die gaat me bijten!) en stapt een ander juist op de hond af om die te aaien (Hé, wat leuk, een lief hondje!). Mensen met autisme verlenen betekenis volgens vaste koppelingen: één waarneming = één betekenis. En dat is nu juist hun probleem, want in onze wereld zijn de dingen slechts zelden wat ze zijn. Eén waarneming kan vele verschillende betekenissen hebben. De betekenis van wat we waarnemen, hangt voortdurend af van de situatie/context waarin we ons bevinden.

Mensen met autisme halen minder informatie uit de context. Het is die contextblindheid die de waarneming en het denken van mensen met autisme typeert.

 

 Wat betekent ‘autisme als contextblindheid’?

In de film Rainman steekt Raymond Babbitt, vertolkt door Dustin Hoffman, de straat over. Net als hij halfweg is, verspringt het verkeerslicht op ‘DON’T WALK’ (Stop!). Raymond schrikt verbaasd op en houdt onmiddellijk halt. Hij blijft staan midden op de weg en verzet geen stap meer. Wanneer de wagens rondom hem beginnen te toeteren, raakt hij paniek. Deze scène is een perfecte illustratie van de contextblindheid die de waarneming en het denken van mensen met autisme typeert. Zoals alle andere mensen met autisme heeft Raymond moeite om de betekenis van wat hij waarneemt te laten afhangen van de context. Voor mensen met autisme zijn de dingen zoals je ze waarneemt. Niets meer en niets minder. ‘DON’T WALK’ betekent voor Raymond alleen dat: niet lopen. Voor Raymond, zoals voor alle andere mensen met autisme, zijn de dingen wat ze zijn.

Mensen met autisme verlenen betekenis volgens vaste koppelingen: één waarneming = één betekenis. En dat is nu juist hun probleem, want in onze wereld zijn de dingen slechts zelden wat ze zijn. Eén waarneming kan vele verschillende betekenissen hebben. De betekenis van wat we waarnemen, hangt voortdurend af van de context waarin we ze waarnemen. Een rood voetgangerslicht of ‘DON’T WALK’ betekent inderdaad soms dat je niet mag oversteken, vooral in de context waarin je nog niet begonnen bent met de oversteek. In een andere context echter, bijvoorbeeld als je al halfweg het zebrapad bent, betekent diezelfde waarneming juist het tegenovergestelde: loop door (en liefst zelfs wat sneller want de auto’s komen eraan). Een rood licht betekent dus nu eens ‘stoppen’ en dan weer ‘niet stoppen en zelfs versnellen’. Wat we waarnemen noemen, is veel meer dan een passief proces van het ontvangen van prikkels via onze zintuigen (het netvlies, trommelvlies, de smaakpapillen enzovoort). Waarnemen is een proces waarbij we actief betekenis opbouwen. Daarbij speelt context een uitermate belangrijke rol. Onze hersenen plaatsen de waargenomen prikkels in perspectief: ze gaan de betekenis van details invullen op basis van hun onderlinge samenhang en de context. Die betekenissen halen we dus niet uit de letterlijke waarneming van de specifieke details of prikkels, maar uit de context en het grotere geheel. Immers, het is die context die bepalend is voor de zinvolheid en de correctheid van de betekenis. Een rood licht betekent nu eens stoppen, dan weer rennen. Een blad papier betekent soms ‘ik moet iets tekenen’, soms ‘ik moet iets schrijven’ maar soms ook ‘vouwen’ of ‘lezen’ of zelfs ‘in de prullenmand gooien’.

Een dergelijke wereld met zijn verschillende, wijzigende betekenissen is erg verwarrend voor mensen met autisme. Het veronderstelt dat je continu de context meeneemt in je betekenisverlening en dat is moeilijk voor autistische mensen. Het gevolg is dat veel zaken anders, niet of verkeerd begrepen worden.

Er zijn twee soorten context: de waarneembare en de niet-waarneembare.

De waarneembare context is de gegeven situatie, alles wat zichtbaar, hoorbaar of voelbaar is en wat de betekenis van een bepaalde waarneming beïnvloedt. Een opgestoken hand in de context van een man met een snor, een uniform en een pet midden op het kruispunt betekent iets heel anders dan een opgestoken hand van een leerling in de klas.

De niet-waarneembare context is alles wat je je moet verbeelden bij een bepaalde waarneming: de context die niet gegeven is, maar die je er zelf aan moet toevoegen, bijvoorbeeld vanuit je geheugen. Een opgestoken hand van een persoon van wie je al een paar keer klappen hebt gekregen, zal een heel andere betekenis krijgen dan een opgestoken hand van iemand van wie je weet dat die heel vriendelijk is.

Mensen met autisme hebben het moeilijk met beide soorten context, maar vooral met de niet-waarneembare context vanwege hun tekortschietende verbeeldingsvermogen. Feitelijke en letterlijke betekenissen gaan hun goed af en het gaat prima als de dingen zijn wat ze zijn. Veel lastiger is voor hen datgene wat zou kunnen zijn, het zich voorstellen van wat mogelijk is.

 

Meer info in ‘Autisme als contextblindheid’ van Peter Vermeulen (zie onze webshop)

 

 Is autisme wetenschappelijk te verklaren?

Verschillende theorieën

 

De manier waarop personen met autisme informatie verwerken, waarnemen en denken, is reeds uitvoerig onderzocht door wetenschappers. Er bestaan verschillende theorieën en modellen. Voor een uitgebreide beschrijving van deze theorieën en hun wetenschappelijke verdiensten verwijzen we naar de literatuur hierover. We beperken ons hier tot een beknopte vermelding van de voornaamste theorieën en termen, omdat de kans groot is dat je ze tegenkomt in artikelen, in boeken of op websites.

Zowat de meest bestudeerde theorie is deze die stelt dat kinderen met autisme moeite hebben met het achterhalen van wat zich aan de binnenkant van mensen afspeelt, wat mensen denken, voelen, verwachten, bedoelen, weten en dergelijke. De vaardigheid om gedachten, intenties, gevoelens en ideeën toe te schrijven aan jezelf en de anderen duiden we aan met een Engelse term: theory of mind. Een dergelijke ‘theorie van de geest’ is natuurlijk geen wetenschappelijke theorie ergens in ons hoofd, ze verwijst veeleer naar wat je mensenkennis zou kunnen noemen. Met die kennis worden we niet geboren. Het vermogen echter om kennis van de binnenkant van anderen te verwerven alsook een gerichtheid op de binnenkant van anderen, is wel aangeboren. Zo hebben baby’s al snel door dat de richting waarin iemand kijkt iets zegt over wat die persoon bezighoudt en interesseert. Ze weten uiteraard nog niet waar die persoon aan denkt, maar hebben wel door dat het volgen van iemands blikrichting belangrijk is. Daarom doen baby’s dat al als ze nog maar een paar maanden jong zijn. Theory of mind is erg belangrijk, omdat ze ons toelaat het gedrag van andere mensen te begrijpen, te voorspellen en er gepast op te reageren. Als je je niet kunt verplaatsen in de gedachten en gevoelens van iemand anders, dan wordt menselijk gedrag erg bizar en vreemd. Zonder de kennis dat iemand iets aan het zoeken is in zijn kledij, is gedrag van iemand die met de handen in alle zakken gaat en er niets uithaalt wel erg onlogisch.

In autisme zou de theory of mind zich vertraagd en verstoord ontwikkelen. Hierdoor begrijpt iemand met autisme heel weinig van het menselijk gedrag, met alle bekende moeilijkheden in de omgang met anderen als gevolg. De hypothese van een tekort in de theory of mind (of in een moderner jasje: van een tekort aan empathie of een extreem mannelijk denken) verklaart veel van de moeilijkheden van mensen met autisme, vooral inzake sociaal contact en communicatie. Echter, als verklaring voor een aantal andere kenmerken, zoals de zintuiglijke problemen en de stereotiepe omgang met voorwerpen, behaalt de theorie een onvoldoende.

Een andere theorie stelt dat autisme te maken heeft met een ‘executieve disfunctie’. Executieve functies verwijzen naar cognitieve processen die verband houden met probleemoplossing. Voorbeelden zijn: het kunnen beheersen van impulsieve reacties; het kunnen richten, houden maar ook wisselen van de aandacht; het vermogen om plannen te bedenken; je handelingen kunnen evalueren en bijsturen afhankelijk van je doel. Executieve functies zijn broodnodig voor heel wat dagelijkse activiteiten: tandenpoetsen, puzzelen, huiswerk maken, de tafel dekken. Ze spelen ook een rol in het organiseren en bijsturen van een gesprek en zijn dus ook belangrijk voor sociaal contact. Het is duidelijk dat personen met autisme moeite hebben met een aantal van de vermelde executieve vaardigheden. Onderzoek toont echter ook aan dat niet alle executieve functies gestoord zijn in autisme, en zeker niet bij alle mensen in dezelfde mate. Overigens zijn executieve disfuncties niet uitsluitend een probleem van mensen met autisme, maar ook van bijvoorbeeld personen met ADHD. De hypothese van de executieve disfunctie is dus onvoldoende als specifieke verklaring voor autisme.

De derde theorie die je vaak tegenkomt, is die van de zwakke centrale coherentie. Centrale coherentie is de neiging van het menselijk brein om samenhang te zoeken tussen allerlei kleine stukjes informatie die ons via de zintuigen bereiken en op basis van die samenhang betekenis te verlenen. Je

ziet geen rood, 4 wielen, 2 verdiepingen, 32 ramen, 1 deur, 64 zitjes, 2 witte lampen, 4 oranje en 4 rode (enzovoort, enzovoort) maar een Londense dubbeldeksbus. We hebben deze centrale coherentie eerder ‘samenhangdenken’ genoemd en Peter Vermeulen beschrijft dit uitvoerig in het boek ‘Dit is de titel’.

Centrale coherentie lijkt iets moeilijks, maar in de dagelijkse praktijk creëert ons brein heel erg spontaan, vaak onbewust, samenhang en dat zonder dat we ons erg hoeven in te spannen. Het integreren van losse elementen in een groter geheel en het verder kijken dan de losse, letterlijke details is de normale en spontane manier waarop mensen indrukken en informatie verwerken. Mensen met autisme, dat is bekend, zijn vooral gericht op details. Uit veel van hun gedragingen en reacties blijkt dat ze moeite hebben om samenhang tussen dingen of gebeurtenissen aan te brengen en dat ze moeilijk het grotere geheel zien. Zo blijken mensen met autisme veel minder dan andere naar het volledige gelaat van iemand te kijken, maar wordt hun aandacht veeleer getrokken door een of ander detail, zoals de mond, een vlekje of een oorbel. Recent onderzoek bracht evenwel aan het licht dat kinderen met autisme soms wel in staat zijn om grotere gehelen waar te nemen. Naar aanleiding van deze bevindingen zijn ook in de theorie van de zwakke centrale coherentie enkele barstjes gekomen. Geen enkele van de drie meest beschreven theorieën (theory of mind, executieve functie en centrale coherentie) slaagt er momenteel in een specifieke en volledige verklaring te bieden voor de kenmerken van autisme op gedragsniveau. In de rand van deze drie theorieën zijn nog andere ontwikkeld, maar ook die voldoen niet aan de vereisten voor een goede psychologische theorie over autisme. Het is goed mogelijk dat autisme ook niet te verklaren is vanuit één enkel tekort in het waarnemen en denken. Het zou immers best kunnen dat een combinatie van de drie vermelde begrippen of zelfs nog een andere combinatie de typische autismekenmerken het best verklaart. Om het allemaal wat concreter te maken, beschrijven we autisme als een vorm van contextblindheid. Context speelt een rol in zowel theory of mind, executieve functies als centrale coherentie. Daarnaast laat het idee van contextblindheid toe om het autistisch denken concreet te beschrijven, zonder ingewikkelde vaktermen, en er ook conclusies uit te trekken voor de opvoeding en de behandeling.

 

 Autistische trekken, licht autisme of autisme?

Autisme is een vrij complexe stoornis die een invloed heeft op heel het functioneren van een persoon. Autisme onderscheidt zich van niet-autisme voornamelijk door een specifieke waarneming en denkstijl. Zaken dus die zich afspelen in de werking van de hersenen en die op zich niet door de omgeving gezien kunnen worden. Autisme is dan vaak ook een onzichtbare handicap.

Het gedrag daarentegen is vaak zeer menselijk en herkenbaar. Iedereen kan zich wel vinden in een paar 'autistische kenmerken' op gedragsniveau... en bovendien zullen begaafde mensen met autisme heel wat zaken camoufleren en compenseren waardoor hun gedrag niet zo afwijkend is dan dat van anderen... Heel wat autistisch ‘gedrag’ is eigenlijk stressgedrag en we zien dat niet-autistische mensen in stress-situaties vaak autistisch gedrag stellen. Ze zijn daarom nog niet ‘een beetje autistisch’.

Autisme verschilt van 'autistische trekken' doordat er een fundamenteel andere hersenwerking is. Om het verschil te kunnen duiden is een degelijk diagnostisch protocol nodig dat bij voorkeur door een ervaren interdisciplinair team wordt uitgevoerd. In dit diagnostisch proces wordt gepeild naar signalen in de vroegontwikkeling van de persoon, worden een aantal autistische denkpatronen getoetst en tracht men zicht te krijgen op het functioneren van een persoon.

De grens tussen autisme en geen autisme is niet eenvoudig te trekken. Ergens tussen beiden zit een grijze zone. Belangrijk is om te kijken in hoeverre de ‘autistische trekken’ een handicap betekenen voor de persoon. Autisme als stoornis leidt niet altijd tot een handicap. Veel hangt af van de situatie en de verwachtingen van de omgeving: in welke mate is de persoon belemmerd in het uitvoeren van dagelijkse activiteiten en slaagt hij of zij er niet in te beantwoorden aan de verwachtingen en eisen van de omgeving. Een zogenaamd ‘licht’ autisme kan dus in bepaalde situaties een enorme handicap betekenen.

Het lijkt dus weinig zinvol om te spreken van gradaties van autisme. Het is daarentegen wel belangrijk om te kijken wat de ernst van de handicap is en hoeveel en welke ondersteuning iemand nodig heeft. De term ‘autistische trekken’ is te vermijden, omdat die niets zegt. Iedereen gedraagt zich wel eens autistisch, maar heeft daarom nog geen autisme. Overigens komen autistische trekken ook voor bij mensen met andere stoornissen dan autisme. Kortom: enkel een goede en uitgebreide diagnostiek kan de moeilijkheden, mogelijkheden en noden van iemand in kaart brengen. Over autisme dat ‘niet op autisme lijkt’ of subtieler lijkt, gaan boeken als ‘Brein bedriegt’ (Peter Vermeulen) en ‘Het syndroom van Asperger’ (Tony Attwood). Ook de video 'Autimatisch' waarin begaafde volwassenen met autisme zelf aan het woord en in beeld komen is zeker een aanrader, temeer omdat hier een aantal vrouwen in getuigen. Stilaan komt het besef dat zij vaak toch nog een andere 'kleur' geven aan autisme, op andere manieren compenseren en vaak een grote sociale betrokkenheid kunnen hebben waardoor hun autisme nog moeilijker wordt herkend. U kan deze publicaties bij ons aankopen via de website, maar ze zijn ook te ontlenen in ons documentatiecentrum. In de nieuwe publicatie van ‘Autisme Centraal’ (verschijnt bij Pelckmans 2017 onder de titel Autisme is niet blauw, smurfen wel) heeft Peter Vermeulen het over ‘Zijn we niet allemaal een beetje autistisch?’ en ‘Is autisme een stoornis?’ en over politiek incorrecte termen van autisme.