Controle over prikkels

We hebben het in deze rubriek al eens eerder gehad over mensen met autisme die snel overprikkeld raken. Er komen heel veel prikkels (bewust) binnen of bepaalde prikkels komen te sterk binnen. Er zijn verschillende manieren om hier op te reageren of om mee om te gaan. Wat vaak een sleutelelement lijkt te zijn voor een succesvolle strategie, is het al dan niet hebben van controle. Als iemand controle heeft over de prikkels die op hem of haar afkomen dan is vaak makkelijker om om te gaan met die prikkels.

Controle betekent er zelf voor kiezen en/of het zelf kunnen uitvoeren. Als iemand zelf kiest voor een bepaalde prikkel, dan zal het makkelijker zijn om daar mee om te gaan. Zo hoor je wel eens verhalen van iemand die het niet verdraagt dat iemand anders aan tafel kauwgeluiden maakt, of niest, maar die dan wel naar rockconcerten gaat. Ook als iemand iets zelf kan doen, zal het makkelijker zijn. Een bewoonster op de leefgroep kan er absoluut niet mee om dat een opvoedster haar haren kamt, maar als ze zelf de borstel kan vasthouden, gaat het goed. Al is haar kapsel dan wat minder netjes gekamd.

Het is dus de kunst om in situaties waar iemand dreigt last te hebben van bepaalde prikkels op zoek te gaan naar manieren om iemand iets meer controle te geven. Het positieve effect van controle hebben over een bepaalde prikkel op één bepaald zintuig kan zich zelf uitstrekken naar andere zintuigen.

Soms vinden mensen met autisme hun geheel eigen manier om de controle te krijgen over bepaalde prikkels. Zolang dat dat geen storende of gevaarlijke manier is kunnen we die best aanvaarden. Ook al is het iets dat ons misschien wat vreemd lijkt, zoals bijvoorbeeld dag in dag uit op blote voeten lopen, zoals Mark in een andere bijdrage in dit tijdschriftnummer.

Om de controle bij bepaalde activiteiten te verhogen voor iemand met autisme kunnen we eens kijken of iemand bijvoorbeeld inspraak heeft over:

  • De gebruikte materialen (welke kam, tandenborstel…)
  • De omstandigheden van een activiteit (licht, geluid, temperatuur…)
  • Het tijdstip (’s ochtends, na of voor een maaltijd…)
  • De omkadering (alleen of met iemand, met wie…)
  • Het verloop (in welke volgorde, wat precies doen…)
  • De tijdsduur (snel of kort…)

Op die manier maken begeleiders én de mensen met autisme zelf de prikkelende omgeving meer hanteerbaar!